Uittocht naar Almere

Waarheen de reis zou moeten gaan, vroeg de chauffeur voor hij de
motor van de touringcar startte. “ Almere “ was het antwoord; voor die
bestemming waren zo’n 45 parochianen ingestapt in de bus. Zondag 12
maart bleef de kerkdeur aan het Melkpad dicht en vierde parochie
Hilversum mee met de kerngroep in Almere.
De busreis met krentenbollen en drinkpakjes was al een hele
gebeurtenis, maar ook het samenvieren met de mensen in Almere was een
bijzondere ervaring.

Naast de busreizigers waren nog een aantal parochianen met eigen
vervoer gekomen en het aandeel Hilversum zorgde voor een goed gevulde
kapel.
De liturgie, de woorden, de priester, het was ons allemaal vertrouwd, maar door de
‘ kleinschaligheid’ kreeg het een andere beleving mee.
Dicht naast elkaar – geen lege banken ertussen! – in een halve cirkel
rond het altaar gezeten, onderstreepte het gevoel van gemeenschap.

Ook werd ik me sterker bewust hoe belangrijk het is om trouw te zijn in
de kerkgang. Zeker in zo’n kleine gemeenschap als de kerngroep in
Almere is het zo merkbaar als meer plaatsen leeg blijven en een stem
minder klinkt.
De Uittocht naar Almere eindigde (nog) niet in het beloofde land, maar
bracht ons wel weer verder in het besef dat we ook als kerk onderweg
zijn. Als ‘grote’ parochie en als kleinere kerkgroep hebben we een
missie en een boodschap voor de wereld om ons heen. Juist in deze
veertigdagentijd mogen we dat weer helder voor ogen krijgen.

Inge van Maaren

Tijd en ruimte voor stilte en bezinning

In
de periode tussen Aswoensdag (1 maart) en Pasen (16 april) biedt de
Oud-katholieke kerk aan het Melkpad de gelegenheid om even de kerk
binnen te lopen en stil te worden. Om te bidden, na te denken of zomaar
stil te zijn.
Die Veertigdagen- of vastentijd is een belangrijke periode waarin meer
dan anders tijd genomen wordt voor bezinning. Tijd om je leven te
ordenen, opnieuw af te stemmen. Tijd om bewuster aandacht te hebben
voor de wereld om je heen.

Wie zo’n moment zoekt, is van harte welkom. De kerk is open op de
woensdagochtenden, aansluitend op de ochtendviering die om 9.30 uur
begint. Om 12.30 uur sluiten we af.
Als ingang gebruiken we de zijdeur aan de linkerkant van de kerk.

Voor meer informatie kunt u zich wenden tot pastoor drs. L.E. Wijker,
Tel. 035-624 80 09

Het evangelie volgens alle gelovigen

Tijdens het Lekenforum van augustus jl hield pastoor Annemieke Duurkoop een referaat met als titel " Het evangelie volgens alle gelovigen ". Hieronder de tekst, van harte aanbevolen om eens door te lezen!

Deel I

1. De verbazing van de H. Willibrordus
De H. Willibrordus is de stichter van de kerk in de Nederlanden. In ons lectionarium wordt hij de Apostel der Nederlanden genoemd. Een apostel is iemand die een boodschap brengt. En Willibrordus deed dat. Hij bracht de christelijke boodschap naar de Nederlanden.En dat was in die tijd een moeizame en gevaarlijke onderneming.Het land waarin hij en zijn medewerkers terecht kwam was een sompig land. Koud, nat, geen fatsoenlijke wegen. En hij wist wat hij kon verwachten: helemaal niets. Hij zou komen in een land dat christelijk gesproken nog woest en ledig was. Geen geloof, geen kerk, zelfs geen zekerheid over een hartelijke ontvangst en medewerking.In dit land moest hij de blijde boodschap brengen.

Zijn boodschap was gericht tot vreemden. En dan ook echt vreemden. Een volk dat bestond uit mensen, van wie hij de taal niet kende. Mensen, die vele goden hadden in plaats van één God. Mensen, die totaal andere ideeën hadden over de relatie tussen goden en mensen.

Willibrordus ging aan het werk met niets, behalve dan zijn sterke overtuiging dat hij zijn God tot een God van anderen moest maken. De enige gereedschappen die hem ter beschikking stonden, waren zijn overtuigingskracht en zijn vertrouwen op Gods hulp.Slechts met deze gereedschappen ging hij in dit sompige land aan het werk.Hij ging dat vreemde volk tegemoet met een boodschap over zijn God met als doel deze God met anderen te delen.

Stel, dat Willibrordus op zijn gedenkdag aan één van onze parochies een bezoek brengt.Hij kan nu comfortabel reizen, per auto of per trein. Hij komt bij één van onze parochies aan en denkt: ‘Zo, die hebben het goed voor elkaar’. Hij ziet een degelijk kerkgebouw, warm en aangenaam, de geur van wierook komt hem tegemoet. Binnengekomen ziet hij mooie bloemen op het altaar, een priester met een feestelijk wit kazuifel en een koor dat prachtige liederen ten gehore brengt. Jaloersmakend!En Willibrordus denkt: ‘Ooit heb ik aan een volkomen vreemd volk het evangelie verkondigd en zie wat voor moois eruit voortgekomen is. Mijn werk is niet voor niets geweest’..Maar dan gebeurt het. Ongelukkigerwijs krijgt Willibrordus het verslag van de synode 2004 van de Oud-Katholieke Kerk onder ogen.Daarin leest hij over een boekje, dat onze kerk heeft uitgegeven en dat de Goede Week en Pasen als onderwerp heeft.De bedoeling van dit boekje was het aan familie en vrienden te geven met de uitnodiging de diensten van de Goede week en Pasen bij te wonen. Het was een actie met als doel om meer gasten tijdens de Goede week en Pasen in de kerk te krijgen.

Willibrordus leest in het verslag:Hoewel de reacties op de actie bijna zonder uitzondering positief waren, was de effectiviteit (meer gasten in de kerk tijdens de Goede Week) uiteindelijk niet groot.

Als één van de oorzaken wordt genoemd:Schroom om anderen uit te nodigen.Beschroomd, beperkt, benauwd om wat we zijn en doen bekend te maken aan onze familieleden, vrienden en kennissen.

Verderop in het verslag lezen wij:Als wijzelf te beschroomd/beperkt/benauwd zijn om dat wat we zijn en doen aan onze eigen kring (vrienden, kennissen, familieleden) bekend te maken, dan moet er misschien maar eens gepraat worden over de missionaire instelling van onze kerk.

Hoe zal Willibrordus hierop reageren?Hij zegt: ‘Ja, maar, familieleden, vrienden en kennissen zijn toch geen vreemden?Als je de God van de Goede Week en van Pasen zo belangrijk vindt, dan wil je deze God toch wel verkondigen aan je naaste omgeving. Andere belangrijke dingen uit je leven deel je toch ook met je naaste omgeving. Kinderen, kleinkinderen, werk, vakantie, hobby?’

Wij zeggen: ‘Jawel, maar een enthousiast verhaal over mijn vakantie is wel even wat anders dan over mijn geloof. Geloof is toch iets van mijzelf, iets privé, nietwaar?’ Wij proberen aan Willibrordus duidelijk te maken dat verkondigen in deze tijd heel anders gaat. Verkondigen doe je tegenwoordig met folders en websites en posters en stickers en boekjes. Communicatie heet dat.En wij laten aan Willibrordus ons prachtig publiciteitsmateriaal over de Oud-Katholieke Kerk zien. Hierin kan iedereen lezen over haar ontstaan, over haar rijke liturgie, over haar nadruk op de eigen verantwoordelijkheid, over haar onafhankelijkheid van Rome, over haar gedachten ten aanzien van euthanasie, abortus, echtscheiding, homosexuele relaties, celibaat, de vrouw in het ambt, enzovoort.Want, denken wij, zolang wij het hebben over de Oud-Katholieke Kerk, hoeven wij niet te praten over ons eigen geloof, over wat wijzelf geloven.

Nadat Willibrordus al dat jaloersmakende materiaal bekeken heeft, zegt hij:’Maar … vertel nou eens over jouw ervaringen met God’Ho, ho, dát was nou net even niet de bedoeling.

Willibrordus heeft de situatie door en zegt: ‘Ja maar, na het lezen van de website of de folder of een boekje komt toch altijd een persoonlijk contact? Ik bedoel, uiteindelijk vindt er toch altijd een ontmoeting plaats tussen degene die God zoekt en degene die God verkondigt? En in die ontmoeting vertelt de verkondiger toch wel waarom hij gelooft en waarom hij dat nodig heeft en fijn vindt.”Ja’, zeggen wij, ‘dat is eigenlijk wel de bedoeling, maar geloof is tegenwoordig een lastig onderwerp. Je krijgt steeds weer van die vragen, waarop je dan geen antwoord weet. Waarom doet God dit wel en dat niet? Dus praat ik maar liever niet over mijn geloof’.

2. De conclusies van de H. Willibrordus
a. Publiciteit is zeker noodzakelijk, maar niet voldoende.b. Alleen met publiciteitsmateriaal brengt men mensen niet tot God.c. Schaamte en angst om over ons geloof te praten.d. Na publiciteitsmateriaal komt het eigen geloofsverhaal.

3. De uitwerking van de conclusies van Willibrordus
a. Publiciteit is noodzakelijk, maar niet voldoende.Natuurlijk hebben wij een folder en een website nodig om onze kerk bekend te maken. Mensen moeten weten dat de Oud-Katholieke Kerk bestaat. Maar daarmee verkondigen wij nog niet het evangelie. Het verkondigen van het evangelie komt pas daarna. En het gaat om het verkondigen.

b. Alleen met publiciteitsmateriaal brengt men mensen niet tot God.De actie met het boekje over de Goede Week en Pasen heeft zijn doel niet bereikt.Het doel was namelijk om met het boekje familie, vrienden en kennissen uit te nodigen om naar de diensten van de Goede Week en Pasen te komen. Maar wij durven onze familie, vrienden en kennissen niet uit te nodigen.

c. Schaamte en angst om over ons geloof te praten.Vol bewondering kijken wij naar Willibrordus, maar ondertussen durven wij met onze familie, vrienden en kennissen niet over ons geloof te praten. Want als het over geloof gaat, zijn zij opeens vreemden voor ons. En vreemden gaan wij niet ongevraagd lastigvallen met onze geloofservaringen.Zelfs onze kinderen beschouwen wij in dit opzicht als vreemden.Net als onze familie, vrienden en kennissen, worden onze kinderen ‘vreemden’ aan wie wij niet spontaan en ongevraagd onze persoonlijke ervaring van het geloof durven te vertellen.Omgekeerd vragen wij van onze kinderen wel om over hun geloof te praten.Wij proberen hen met spelletjes, verhalen, toneelstukjes en ludieke activiteiten zo ver te krijgen.En ondertussen blijven wij, als volwassenen, weer lekker buiten schot.Waarom moeten zij wel over hun geloof praten en wij niet?Als onze kinderen ouder geworden zijn, dan zijn zij met ludieke spelletjes, toneelstukjes en verhalen niet meer te bereiken. Zo groeien onze kinderen op zonder onze eigen geloofservaringen.

d. Na verspreiding van publiciteitsmateriaal komt het eigen geloofsverhaal.Stel, dat wij wel de moed hebben om spontaan en ongevraagd een folder of een boekje aan iemand te geven, dan is dit slechts een begin.Daarna moeten wij echt aan het werk gaan, zoals ook Willibrordus dat deed.Dat komt het moment, waarop er een ontmoeting moet plaatsvinden. Een ontmoeting tussen de godzoekende mens en de verkondigende mens. En die verkondigende mens zijn wij.Wij zijn het mooiste en meest effectieve communicatiemiddel dat er bestaat. Alleen durven wij er nauwelijks of geen gebruik van te maken.

En zo laten wij ons mooiste gereedschap, dat van de persoonlijke getuigenis, ongebruikt.Misschien omdat wij verleerd zijn om het te hanteren.Misschien omdat wij dit gereedschap niet meer van deze tijd vinden.Misschien omdat wij vinden, dat het gereedschap van de persoonlijke getuigenis niet past bij het oud-katholiek-zijn. Wij zijn immers geen evangelicalen!

Dus werken wij met andere communicatiemiddelen dan onszelf. Wijzelf blijven liever buiten schot. En dat kan ook. Want zeggen wij, als iemand de website of de folder gelezen heeft, dan weet hij of zij dat wij bestaan. De godzoeker kan dan zelf wel naar ons toekomen. Het is zijn of haar eigen verantwoordelijkheid. Wij hoeven echt niet verkondigend op te treden.

Maar … het evangelie is niet de Oud-Katholieke Kerk met al haar lovenswaardige kenmerken.Het evangelie is nog altijd de blijde boodschap van en over God.Dit evangelie laat zich niet verkondigen door website, folder, sticker, boekje of kinderspelletjes.Dit evangelie laat zich nog steeds of uiteindelijk alleen maar verkondigen door mensen, die daarover willen en durven te vertellen.Dit is het evangelie volgens alle gelovigen.

De vraag is nu: durven wij dat evangelie te vertellen en hoe kunnen wij dat doen?Daarover nu.

Deel II Ons geloofsverhaal aan velen

Wat zou ons, oud-katholieke gelovigen van nu, kunnen helpen wel over ons geloof te praten?Ik wil daar een aantal voorwaarden en manieren voor aandragen.

1. Voorwaarden1.1 Het overwinnen van schaamte en angst om over ons geloof te praten.Het taboe op het geloof en het imago van de gelovige doorbreken.1.2 Het besef krijgen geen sluitend verhaal te hoeven afsteken.1.3 Oppassen voor nergens toe leidende discussies.Onderscheid maken tussen het geloofsverhaal en de dogmatische discussie.

2. Manieren2.1 Welk verhaal kunnen wij vertellen?2.2 Alertheid op het uitdragen van het genoegen van ons geloof .Geloof is geen ‘treurig moeten’ maar een ‘graag willen’.2.3 Assertief met gegeven situaties omgaan.2.4 De verantwoordelijkheid van alle gelovigen.Als gelovige een kritische houding aannemen ten opzichte van pastoor en kerk.

1. Voorwaarden

1.1 Het overwinnen van onze schaamte en angst.
Een belangrijke voorwaarde om spontaan over ons geloof te kunnen praten is onze schaamte en angst daarvoor te overwinnen.Waar komt die schaamte en die angst toch vandaan?In bepaalde sociale milieus lijkt het not done om te geloven in een de christelijke God.Je zou kunnen zeggen, dat er een taboe lijkt te rusten op het christelijk geloof en nog meer op het praten daarover.Daaruit voortkomend lijkt het imago van de christelijke gelovige niet hoog te scoren.Hoe kan iemand in deze tijd het christelijk geloof aanhangen. Zo iemand is toch wereldvreemd?Als wij dan toevallig in dat sociale milieu thuishoren of willen thuishoren, dan bekruipt ons een gevoel van schaamte.Deze schaamte zorgt ervoor dat wij bang zijn met ons geloof in God voor de dag te komen. We denken: wat zal de ander wel niet van ons vinden?Maar is deze schaamte en deze angst wel terecht?

Om over onze schaamte en over onze angst heen te stappen, zou de volgende bewering ons kunnen helpen. Het is een soort syllogisme.

1. Men beschouwt mij als een normaal functionerend mens.2. Ik geloof in God.3. Conclusie > Ik ben een gelovig mens en tóch normaal!

Wanneer wij vanuit deze wetenschap en zekerheid over ons geloof praten, dan zijn wij in staat het taboe en imago ten aanzien van geloven te doorbreken.

1.2 Het besef krijgen geen sluitend verhaal te hoeven afsteken.
Wellicht praten wij liever niet over ons geloof, omdat wij hierover geen sluitend verhaal kunnen afsteken. Wellicht zijn wij bang voor de vragen die op ons afkomen en waarop wij geen antwoord hebben.Waarom laat God het kwaad toe in de wereld?Waarom is er zoveel haat en nijd tussen de kerken en hun gelovigen onderling?Waarom brachten en brengen de kerken nog steeds zoveel ellende voort?Waarom liet God zijn Zoon zo lijden? Kon God het niet op een andere manier regelen?Hoe moeten wij op deze vragen antwoorden?Hoe kan ik na dit soort vragen mijn vreugdevolle geloofservaringen nog aan anderen communiceren?

Maar, hebben wij gezegd, het geloof in het evangelie laat zich het beste verkondigen door mensen. Door mensen die daarover willen vertellen.De godzoeker heeft de website en de folder al gelezen.En nu wil de godzoeker van mij weten wat ik precies in het geloof gevonden heb.De godzoeker wil weten hoe het geloven mij bevalt en wat, hoe en wanneer ik er iets aan heb.De godzoeker wil weten op welke vragen het geloof mij een antwoord geeft en op welke vragen niet.De kans is heel groot, dat ik dat zeer gebrekkig zal doen.Maar ik probeer het. Hortend en stotend vertel ik iets.En wat ik vertel, is zeker geen glad en sluitend verhaal.Nee, een logisch en consistent verhaal wordt het niet.Ik zal dingen zeggen, die elkaar tegenspreken en ik word erop gepakt.Ik zal enthousiast vertellen over dingen die bij de godzoeker absoluut niet aanslaan en mijn verhaal slaat dood.Ik zal mijn twijfels uitspreken.Ik zal op moeilijke vragen geen slimme antwoorden kunnen geven.Kortom, ik weet dat mijn antwoorden mij kwetsbaar maken en gemakkelijk te weerleggen zijn.Maar wat blijft, is een écht en persoonlijk verhaal, want het is mijn verhaal.

Het vertellen van mijn geloofsverhaal kan leiden tot een ontmoeting tussen twee mensen met God als onderwerp van gesprek.Dit is verkondigen, dit is communicatie, dit is prachtig!Daarom mag dit communicatiemiddel van de persoonlijke verkondiging,hoe knullig dan ook, nooit door website, folder of boekje vervangen worden.

1.3 Oppassen voor nergens toe leidende discussies.
Als iemand met ons in gesprek wil over geloof, dan moeten wij goed weten, wat iemand wil.Wil iemand praten over de ervaringen van het geloof of wil iemand een theologische of dogmatische discussie.

Houdt het onderscheid tussen een gesprek over geloofservaring en een dogmatische discussie goed in de gaten. Beide zijn goed maar niet hetzelfde.Als voorbeeld geef ik een persoonlijke ervaring.Steeds als ik meneer X tegenkwam, begon hij weer met zogenaamde dogmatische vragen.Hoe kan Jezus de eniggeboren zoon zijn en toch broers hebben?Hoe kan Maria maagd zijn? Zij heeft toch meer kinderen gebaard.Bij elke ontmoeting had meneer X weer zo’n soort vraag.Het ging meneer X niet om het geloof, maar veel meer om zijn eigen slimheid ten toon te spreiden. Dit worden gesprekken, die nergens toe leiden.Daarnaast worden wij, als oud-katholieken, regelmatig bevraagd op het verschil tussen de Rooms-Katholieke kerk en de Oud-Katholieke Kerk.Natuurlijk kunnen wij die vraag beantwoorden.Wel moeten wij ons realiseren, dat een dergelijk gesprek maar zelden leidt tot een gesprek over geloofservaring.Men vindt de informatie heel interessant, maar daar blijft het dan ook bij.

Ook kan iemand met zinnige geloofsvragen komen, waarop wij geen antwoord weten.Bijvoorbeeld de vraag over het kwaad in de wereld.Hoe kan een almachtige en liefdevolle God het kwaad in de wereld toelaten?Als wij daarop geen antwoord weten, moeten wij ons niet laten verleiden tot een oeverloze theologische discussie.Ik denk, dat wij niet bang moeten zijn om toe te geven, dat wij op die vraag geen antwoord weten.Laten we dan maar de moed hebben en gewoon eerlijk zeggen: ‘Ik weet het niet en toch geloof ik’.

2. Manieren

2.1 Welk verhaal kunnen wij vertellen?
In het evangelie van Matteüs lezen wij over de bezorgdheid van Jezus. Hij zegt:’De oogst is wel groot maar er zijn weinig arbeiders’.Ook in onze tijd lijkt de oogst groot. Er bestaat een grote behoefte aan religie en geloof.Toch zijn de kerken niet vol.Zijn er dan misschien te weinig arbeiders om deze oogst binnen te halen?Nee, arbeiders genoeg. Immers wij zijn allemaal arbeiders.Maar weten de arbeiders tegenwoordig dan niet meer hoe zij moeten oogsten en wat zij moeten oogsten?Nu, het aardige is dat wij zowel de arbeiders als de oogst zijn. Immers wij hebben ons toch ooit ook laten oogsten! Dus als wij willen weten, wat er geoogst moet worden en hoe, dan kunnen wij bij onszelf te rade gaan. Wij kunnen aan onszelf vragen:Waarom heb ik mij laten oogsten?Waarom geloof ik in God?Wat heeft het geloof mij te bieden?Waarom ga ik naar de kerk?Wat gebeurt daar met mij?

Uit de antwoorden op die vragen komt een persoonlijk verhaal.En het is dit verhaal, dat wij als arbeiders kunnen vertellen.Het is het verhaal over de oogst, die ooit geoogst is.Het is dit verhaal, dat wij als arbeiders, als gelovigen, aan de ander kunnen vertellen.Inderdaad, het zal geen glad en sluitend verhaal zijn, maar wel écht en persoonlijk.Maar dit echte en persoonlijke verhaal zou de godzoeker wel eens kunnen overtuigen om op weg te gaan om God te ontmoeten.Ik weet, dat mijn verhaal nooit zijn of haar verhaal zal worden. Maar dat is ook niet de bedoeling.Elke verkondiger heeft zijn of haar eigen verhaal en elke godzoeker heeft zijn of haar eigen verhaal. Wat overeenkomt in al deze verhalen, is dat God het onderwerp van gesprek is.

Natuurlijk kunnen wij ook vertellen over de Oud-Katholieke Kerk. Over haar oecumenische instelling, over haar diaconale betrokkenheid, over de open organisatie, over de OK ethiek, enz. enz.Maar laten wij eerlijk zijn. Zijn dit de belangrijkste beweegreden om elke zondagmorgen naar de kerk te gaan? Komen we om deze lovenswaardige kenmerken van de OKK op onze vrije dag ‘s morgens vroeg ons bed uit?Is de belangrijkste beweegreden niet veeleer, dat wij als individu op zoek zijn naar God?En als wij God dan gevonden hebben, willen wij dan deze vondst niet koesteren?Dat doen wij bijvoorbeeld in de zondagse vieringen.Daarin ervaren wij heel sterk onze relatie met God.Wij proberen die relatie vast te houden, te onderhouden en te verrijken.En dat doen wij met elkaar ondanks onze verschillende geloofsverhalen.Wij zoeken houvast, wij zoeken hoop en wij zoeken de zin van het leven.Wij zoeken ook een God, waaraan wij onze kwaadheid en dankbaarheid kwijt kunnen.Wij zoeken een God als invulling voor de dingen die ons verstand ver te boven gaat.

Kortom, willen wij weten, hoe de oogst eruit ziet, die wij als arbeiders moeten oogsten, dan kijken wij gewoon naar onszelf!

2.2 Alertheid op het uitdragen van het genoegen van ons geloof.
Nu, is de vraag, hoe blij wij zijn met ons geloof en hoe dragen wij dat uit?Wij, oud-katholieken, zijn geen evangelicalen. Wij dansen niet op straat, wij zingen niet op straat en wij delen op straat geen folders uit.Dat hoeft ook niet, maar dragen wij het genoegen van het geloven op een andere manier voldoende uit?

Een voorbeeld.Ik zit in een vergadering. Er moet een datum afgesproken worden voor een volgende vergadering. En ik zeg: Nee, dan kan ik niet, want dan moet ik naar catechese. Als wij het zo formuleren, dragen wij niet direct het genoegen van ons geloof uit.

Nog een voorbeeld.Nee, op zondagmorgen kan ik niet. Dan moet ik naar de kerk en de dienst is pas om twaalf uur afgelopen. Dus helaas, ik kan niet.Hoe bedoel je ‘helaas’. Helemaal niet ‘helaas’. We vinden het toch fijn om naar de mis te gaan?Waarom zeggen wij dan ‘helaas’?Het genoegen van het geloven is hieruit niet af te lezen. Wat wij uitdragen is een ‘treurig moeten’ in plaats van een ‘genoegen, dat wij beslist niet willen missen’.Het gebeurt ook vaak, dat wij niet zeggen, dat wij op die avond catechese hebben. We laten de vergadering gewoon doorgaan op de datum van de catechese of andere kerkelijke activiteiten. Daarbij maken wij de catechese, de kerkdienst of wat dan ook in belang al bij voorbaat onderschikt aan buitenkerkelijke activiteiten.

Andere reacties:Men zou beter kunnen zeggen: Nee, ik kan dan niet, want dan wordt er catechese gegeven. Dat wil ik beslist niet missen, want we behandelen een ontzettend interessant onderwerp.

Nee, op zondagmorgen kan ik niet, want dan wil ik persé naar de mis.Ik kom daar altijd heel verrijkt vandaan. Elke keer is het weer goed om daar te zijn.Dat genoegen laat ik mij niet ontzeggen.Zo getuig je van het genoegen van het geloven en wie weet, worden mensen dan wel nieuwsgierig.Misschien gaan ze zich afvragen wat er in hemelsnaam zo leuk is aan de catechese en de mis.Met een beetje geluk gaan ze vragen stellen.Want ze vinden jou een normaal mens, dus moet de mis en de catechese toch wel iets bijzonders zijn.

2.3 Assertief omgaan met een gegeven situatie.
We denken misschien: in mijn omgeving zijn geloof en kerk absoluut geen onderwerp van gesprek en ik zou ook niet weten hoe ik dat moet veranderen.

Maar de vraag is: zijn wij wel assertief genoeg?Zoeken wij wel mogelijkheden om over ons geloof te praten?

Wij vinden het vanzelfsprekend dat mensen praten over hun vakantie, ook al gaan ze al jarenlang naar dezelfde camping en zijn hun verhalen absoluut niet interessant.Uitgebreid wordt er verteld over de kleinkinderen, sporten, hobby’s, etc. en ook deze verhalen zijn lang niet altijd boeiend.Maar wij vinden het vanzelfsprekende onderwerpen van gesprek.

Maar over ons geloven en wat daaruit voortkomt, praten wij niet. Want we denken: dat is voor anderen niet interessant. Maar dat is fout. Wij moeten niet voor anderen denken.Wij weten helemaal niet of de ander het wel of niet interessant vindt.We proberen dat niet uit. En dat moeten we nu juist wél doen.We moeten de gelegenheden daarvoor opzoeken en benutten.Ik geef een paar voorbeelden.

Voorbeeld:Wij gaan regelmatig naar de kerk en dat vinden wij fijn.Stel, je komt maandagmorgen op je werk en in de koffiepauze wordt jou gevraagd: ‘Wat heb je dit weekend gedaan’ of ‘Heb je een leuk weekend gehad?Dan zou je kunnen zeggen: ‘Ja, er werd zondag een volwassene gedoopt. Heel indrukwekkend was dat’. En je probeert daarover iets te vertellen.Grote kans dat de ander spontaan over zijn eigen gedachten en ervaringen met geloof en kerk begint.

Voorbeeld:Stel je bent de avond tevoren naar een gespreksavond geweest. Er werd een interessant onderwerp besproken. Je vertelt wat jou heeft aangesproken of juist niet.Of je vraagt aan je collega: ‘Hoe denk jij daarover? Zelf ben ik er nog niet uit’.

Voorbeeld:Met familie of vrienden bezichtig je een kerk. Deze mensen zijn niet thuis in de katholieke liturgie.Je kunt dan bijvoorbeeld zeggen: ‘Weten jullie eigenlijk waarom die lamp daar hangt en brandt?’Je vertelt dat het een godslamp is en waarom hij daar hangt en waarom hij brandt.Natuurlijk kun je ook een ander liturgisch voorwerp nemen.Je kunt ook vragen: ‘Weten jullie waarom een katholieke kerk altijd op min of meer dezelfde manier is ingericht of waarom ziet een katholieke kerk er anders uit dan een protestantse kerk?

Voorbeeld:Er is iemand ernstig ziek. De omgeving vraagt belangstellend naar de zieke.Je vertelt, dat de zieke de ziekenzalving heeft ontvangen en dat de zieke daar veel troost uitput en rust en vertrouwen gekregen heeft.Je zegt daarbij, dat het toch heel mooi is dat zo’n sacrament bestaat.De ander zal misschien vragen: ‘Wat is dat, een sacrament? Wat bedoel je met het sacrament van de zieken? En hoe komt het dat een zieke daar troost uitput en er steun en vertrouwen door krijgt?’

Nu, ik denk dat u zelf ook situaties kunt verzinnen, waarin met alertheid en assertiviteit het geloof ter sprake gebracht kan worden.Laten wij dit bedenken: Anderen vallen ons lastig met hun verhalen over cursussen, therapieën, hobby’s, etc., waarom zouden wij dan niet over onze catechese, onze kerkelijke feesten, over onze eucharistieviering praten?

Wij moeten niet bang zijn om over het genoegen van ons geloof te praten en wij moeten alert en assertief zijn om gebeurtenissen en situaties daarvoor te benutten.

2.4. De verantwoordelijkheid van alle gelovigen.
Het is ieders opdracht God niet voor jezelf te houden en ook de OKK niet voor jezelf te houden. Een hele kerkbank voor jou alleen is echt niet leuk!

Wij hebben het uitgebreid gehad over het praten over je geloof met als belangrijkste doel en opdracht anderen te helpen God te vinden.Je zou kunnen zeggen, dat dit onze buitenkerkelijke activiteiten zijn.Maar wij zijn ook lid van een kerk.Deze kerk heeft hetzelfde doel en opdracht, namelijk mensen te helpen God te vinden.Onze verantwoordelijkheid als gelovige leden van deze kerk is om te kijken of de kerk daar op de juiste manier mee bezig is.De gelovigen moeten ten aanzien van pastoor en kerk een kritische houding aannemen en zich steeds afvragen:

Worden er door de pastoor en de kerk die dingen georganiseerd, waaraan de gelovige en de godzoeker ook werkelijk behoefte hebben. Helpen die dingen de godzoeker om God te vinden en de gelovige om de relatie met God te onderhouden?Bijvoorbeeld:Is het onderwerp voor de catechese een hobby van de pastoor of hebben de gelovige en de godzoeker werkelijk belangstelling voor dit onderwerp?Zijn de activiteiten van de kerk voldoende gericht op de godzoeker en de gelovige?Bijvoorbeeld:In welke mate is de godzoeker geïnteresseerd in het ethisch jaar of de oecumenische samenwerking? En is de hoeveelheid tijd en geld, die daaraan besteed wordt, gerechtvaardigd?Kortom, wordt er door de pastoor en de kerk voldoende aandacht besteed aan de gelovige en de godzoeker en gebeurt dit op de juiste manier en met de juiste middelen?

Deze kritische houding behoort tot de verantwoordelijkheid van alle gelovigen.Het zijn de gelovigen, die pastoor en kerk in deze zaken moeten voeden, opdat hun herderlijke arbeid ook werkelijk de gelovige en de godzoeker bereikt.

Slot.
Als wij op zo’n manier arbeiders in de oogst zijn, dan zijn er meer dan genoeg arbeiders.Dan hoeven wij niet meer zo bezorgd te zijn als Jezus was, toen hij zei: De oogst is wel groot, maar er zijn weinig arbeiders. En wij hoeven dan ook niet meer met ontferming bewogen te zijn zoals Jezus was, toen hij de menigte zag, omdat ze verwaarloosd en uitgeput waren als schapen zonder herder.En wij hoeven ook niet meer zo verbaasd te staan, zoals Willibrordus, toen hij bij ons op bezoek kwam en zich afvroeg: Hoe is dit nu mogelijk?Zo’n mooie kerk, zulke prachtige kazuifels en bloemen en heerlijk ruikende wierook.Maar wanneer komen de mensen nou?

Pastoor Annemieke Duurkoop